Maatschappij

‘Spectaculair’ oud ijzer uit de Maas

De speerpunten van pakweg elfhonderd jaar oud zijn de mooiste, vindt Jan Roymans, van de duizenden historische vondsten die ze de afgelopen jaren in het Grensmaasgebied tussen Maastricht en Roosteren hebben gedaan. „In elk geval de meest onverwachte.”

In de natte rivierbedding van de Maas heeft oxidatie geen vat op ze gekregen. Daarom hebben de punten hun oorspronkelijke vorm behouden en zijn zelfs de met koper ingelegde wolfstanden goed zichtbaar. „We weten dat de Vikingen dit soort speren gebruikten, maar óók de Franken”, zegt de archeoloog van RAAP Archeologisch Adviesbureau.

Als het gaat om Vikingen valt in dit gebied al snel de plaatsnaam Ascloha. Uit Frankische annalen is bekend dat Vikingen kort na hun inname van Nijmegen in 881 neerstreken in een iets zuidelijker gelegen koningspalts (verblijfplaats) met de naam Ascloha. Die bouwden ze uit tot een versterkte uitvalsbasis, van waaruit ze handelden en plundertochten ondernamen naar plaatsen als Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Aken en Trier. De grote vraag is echter: waar lag Ascloha?

Asselt, bij Roermond, claimde lang dé plek te zijn. Er ontstond ter plaatse een hele Vikingcultus. Maar uiteindelijk bleek dat vondsten uit de jaren twintig van de vorige eeuw wel al te zeer naar een gewenste conclusie toe waren geïnterpreteerd.

De plaatsnaam Elsloo (bij Sittard-Geleen) wordt ook vaak gekoppeld aan Ascloha. Daar vond Roymans de speerpunten en meer wapentuig. Zijn interesse is ook gewekt door een vorm die hij heeft gevonden op vanuit de lucht gemaakte reliëfkaarten. „Aan de rand van het heuvellandplateau lijkt op een soort kaap, uitkijkend over het Maasdal, een hooglandvesting te hebben gelegen. Die hoop ik verder te kunnen onderzoeken.” De archeoloog mijdt zorgvuldig het woord ‘Vikingvesting’, de waargenomen oppervlakte is er ook iets te klein voor, maar het is een van de mogelijkheden.

Ruim tweeduizend kilo aan historisch ijzer werd gevonden tijdens het rivierverbredings- annex grindwinningsproject in Zuid- en Midden-Limburg. Vondsten als smeedwerk uit België, schoorbomen en gereedschap van herders die schapen naar de steden langs de rivier brachten, brengen oude handelsstromen in beeld.

Roymans: „Maar we vonden ook visstekers, waarmee in de droge maanden van het jaar naar zalm en mogelijk ook naar steur is gevist. En ijzeren paalschoenen die aan punten van palen werden bevestigd, zodat ze makkelijker de grond in konden worden geslagen. Die palen werden al in de achttiende eeuw gebruikt om de Maas in haar bedding te houden.”

Volgens Roymans is in het verleden vooral op de oevers het nodige gevonden. Dat leverde onder meer de ontdekking van grafvelden, nederzettingen, een Romeinse villa en een groot paardengraf op. Roymans: „Nu is voor het eerst ook in de bedding gezocht. Op die manier krijg je meer zicht op het snoer dat al die parels verbindt.”

De archeoloog voor de aannemers uit laten graven was niet te doen, door de grootte van het gebied (duizend hectare) en de tijdsduur van het Grensmaasproject. „Daarom moesten we met de aannemers mééwerken in plaats van vooruitwerken.” De oplossing was een magneet boven de grindinstallatie. Roymans kwam om de vijf, zes weken „paaseieren rapen” in de verzamelbak.

Beperking was wel dat de magneet alleen ijzer verzamelt en niet oud koper, zilver en goud. „Dat wordt vermalen met het grind en draagt daarna bij aan de opbouw van Nederland”, grapt archeoloog Roymans, maar met spijt in de stem. Misschien kan worden nagedacht over andere methodes, maar vooralsnog zijn die te omslachtig en te duur.

Luit van der Tuuk, conservator van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede en kenner van de vroege Middeleeuwen en Vikingen, noemt de vondsten in de Grensmaas „spectaculair”.

Van der Tuuk vindt Asselt nog altijd de meest logische plek voor Ascloha. „Dat sluit niet uit dat er ook zuidelijker nog een uitvalsbasis moet zijn geweest.” Een hooglandvesting, iets verder verwijderd van de rivier, zoals op de door Roymans gesignaleerde plek, noemt hij niet per se logisch als het om Vikingen zou gaan. „Die bleven liever dicht bij hun schepen. Zo’n voorbeeld op hoogte ken ik eigenlijk alleen uit Nijmegen, maar daar lag de vesting op hoogte toch kort op de Waal.”