Economie

Ruim 2.400 miljard euro voor een beetje inflatie

Het begin van het einde is er. Donderdag maakte president Mario Draghi van de Europese Centrale Bank bekend dat de centrale bank vanaf september zijn aankopen van staatsobligaties en andere verhandelbare leningen stopt. Dat program begon, voorzichtig, in de herfst van 2014 toen de centrale bank de eerste commerciële leningen opkocht. Vanaf maart 2015 gingen de remmen los: per maand kocht de ECB voor 60 miljard euro aan staatsleningen en andere leningen, een bedrag dat een jaar later werd opgevoerd tot 80 miljard euro en eind 2016 weer wat werd verlaagd naar 60 miljard. Vanaf begin dit jaar werd dat 30 miljard.

En nu wordt dat program gestaakt. Per oktober zal nog maar 15 miljard per maand worden gekocht, en in principe stopt het eind van het jaar, als er tenminste geen grote economische tegenslagen zijn.

‘Kwantitatieve versoepeling’ zoals het wordt genoemd, is een paardenmiddel. Na de financiële crisis van 2008 werd alom gevreesd voor deflatie, het duurzaam dalen van de prijzen. Van de bestrijders van inflatie werden centrale banken plots verantwoordelijk voor het opjagen ervan. Rentes werden naar nul gebracht, en toen dat niet hielp, negatief gemaakt. Deze versoepeling van het monetaire beleid werd daarna voortgezet met regelrechte geldschepping: voor de leningen betaalt de centrale bank met nieuw gecreëerd geld.

Dat beleid is van begin af aan voer voor verhit debat. Voor de ene econoom is ‘kwantitatieve versoepeling’ een simpele ruiloperatie. Geld voor staatsleningen, niets aan de hand. Dat draaien we later weer om als het beter gaat met de economie en de inflatie, en dan is er per saldo niets gebeurd. Voor de ander is de grens van wat een centrale bank kan en mag, ver overschreden.

Botsing tussen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’

‘Kwantitatieve versoepeling’ was en is vooral een splijtzwam in de eurozone. Weliswaar werd het beleid ook door de Amerikaanse centrale bank gevoerd, en onder meer ook door de Britse. En Japan is er nog steeds mee bezig. Maar in de eurozone zorgde het voor een botsing tussen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ onder de centrale bankiers. De eurozone is geen staat: de deelnemende landen hebben ieder hun eigen staatsschuld en budgettaire verantwoordelijkheid. Transfers tussen landen zijn verboden. Maar de baten van het opkopen van staatsschuld zijn niet gelijk. Landen met een wankele reputatie op de financiële markten, en dus in principe een hogere rente, hebben er meer baat bij dan stevige landen als Nederland en Duitsland. Die laatstgenoemde landen zagen vooral de risico’s: een mogelijke permanente financiering van staatsschuld met door de centrale bank gecreëerd geld was hen een schrikbeeld.

In 2015 besloot de ECB ‘geld te maken’. Waarom? En hoe werkt dat? Lees ook: Hoe Draghi 500 miljard euro wil laten rollen