Buitenland

NFI onderzocht wegens verdenking van misstanden

Het staatslaboratorium dat sporen napluist voor politie en justitie is nu zelf onderwerp van onderzoek. Een externe commissie bekijkt of er sprake is van misstanden bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

De vermeende misstanden gaan over de afdeling Microanalyse Invasieve Trauma’s (MIT). Dit is het team dat lichamen onderzoekt op de aanwezigheid van sporen van een moordwapen. Verschillende deskundigen, van pathologen tot antropologen, werken in dit team samen. De afdeling is het paradepaardje van het instituut; een forensisch-antropoloog noemde het in 2015 de „top off the bill”.

Aanleiding voor het onderzoek is een klokkenluider die zich begin 2017 beklaagde bij de directie van het NFI. De melding is doorgegeven aan het ministerie van Justitie en Veiligheid, dat afgelopen april een onderzoekscommissie instelde van drie hoogleraren, gespecialiseerd in integriteit, geneeskunde en strafrecht. Dit is destijds gemeld in een Kamerbrief maar kreeg toen geen aandacht, totdat de Telegraaf er vrijdag over berichtte.

Protocollen geschonden

Volgens de melding van de klokkenluider werden „protocollen” op de afdeling geschonden – meer is niet bekend over de inhoud van de melding. Een woordvoerder van het NFI zegt dat de werkwijze van het MIT-team eerder „voor kritiek vatbaar” is. „Wij realiseren ons dan ook goed dat het Openbaar Ministerie en andere ketenpartners van het NFI zich zullen afvragen of conclusies van de onderzoekscommissie aanleiding zullen zijn om een zaak opnieuw te bezien. Wij kunnen dat op dit moment niet voorspellen”, zegt de woordvoerder.

Het onderzoek naar het NFI kan grote gevolgen hebben. Voor de reputatie van het forensisch instituut, op wiens bevindingen rechters moeten kunnen vertrouwen. En voor reeds gevoerde rechtszaken, waarin rapporten van het NFI mede als bewijs dienen. Mochten de gemelde misstanden invloed hebben gehad op de inhoud van rapporten, dan is er een kans dat tal van rechtszaken opnieuw gevoerd moeten worden.

Dat was ook het geval toen eind 2006 bleek dat hondengeleiders van de politie zich niet aan de regels voor geurproeven hebben gehouden. Een aantal rechtszaken waarin geurproeven als bewijs werden gebruikt, moest toen worden herzien.

Doorbraak

De afdeling MIT kwam tot stand na een doorbraak in de zaak Illona Nemeth, een in 2004 vermoorde omroepmedewerkster. De politie dacht aanvankelijk dat zij was doodgeschoten, totdat NFI-deskundigen van verschillende disciplines na het onderzoeken van haar schedel tot de conclusie kwamen dat de vrouw gedood was met een kettingslot. Dit leidde naar de dader.

De samenwerking tussen de verschillende experts binnen het MIT is tegelijkertijd een bron van onenigheid, zegt een voormalig medewerker van het team. Hij is inmiddels gehoord door de commissie die de misstanden onderzoekt. „Bij het NFI heb je allemaal kleine eilandjes. De patholoog doet de pathologie, de deskundige microsporen doet de microsporen. Alleen weet niemand waar het ene vakgebied ophoudt en overgaat in het andere. Dat is in het MIT een recept voor gedonder. Deskundigen gaan onderzoek doen waarvan andere deskundigen vinden dat zij dat eigenlijk niet mogen doen.”

De oud-medewerker van het NFI wijst erop dat het belang van ‘protocollen’ niet overschat moet worden. „Dit is een nieuw vakgebied, afhankelijk van de laatste technologische ontwikkelingen. Dat zorgt ervoor dat protocollen nog in ontwikkeling zijn, die kunnen zomaar veranderen. Je ontkomt er niet aan om soms buiten de protocollen om te improviseren.”

Hoge werkdruk

De gerapporteerde misstanden vinden plaats tegen de achtergrond van grote onrust bij het NFI (ruim vijfhonderd medewerkers). Tegelijk met de melding vond vorig jaar onderzoek plaats naar de werkcultuur bij het instituut. Daaruit bleek dat medewerkers zich onveilig voelen en last hebben van de hoge werkdruk. Naar aanleiding van het rapport nam de directeur ontslag en werden alle managers vervangen.

Het rapport bekritiseerde ook de rol van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat had een grote bezuiniging opgelegd aan het NFI, zonder duidelijk te maken welke taken het instituut wel en niet moest blijven vervullen. Terwijl er minder geld is, is er juist meer vraag naar forensisch onderzoek en wordt dit onderzoek steeds complexer en duurder. Dat leidt onder meer tot enorme wachttijden.

Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) riep in april politie en justitie op scherper te kiezen wat zij onderzocht willen hebben door het NFI – en vooral ook wat níet. Het OM sprak meteen de verwachting uit dat het onderzoeken moeilijker rond zal krijgen, vanwege het ontbreken van technisch bewijs.