Maatschappij

Natuurgrond kun je transplanteren

De struikheide op de Reijerscamp, tussen Ede en Arnhem, bestaat uit jonge, soepele, groene twijgen. Niet van die houtige struikjes die je normaal in heidegebieden aantreft. Tussen de opkomende planten groeit bekertjesmos en rendiermos en onlangs is een zeldzame loopkeversoort gesignaleerd. „Een paar jaar terug was het hier één grote zandvlakte”, vertelt Jasper Wubs, ecoloog bij het Nederlandse instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in Wageningen. „Zonder bodemtransplantatie was deze heide hier niet geweest. Of althans: nu nog niet.”

Bodemtransplantatie is het onderwerp waarop Wubs op 31 mei promoveerde. En wel bodemtransplantatie light, zoals hij en onderzoeksleider en promotor Martijn Bezemer de door hen onderzochte methode noemen. Het principe is simpel: je verzamelt elders plaggen ‘donorgrond’. Die verkruimel je en strooi je in een dun laagje – zeg een halve centimeter – uit over het beoogde nieuwe natuurgebied. Bezemer: „Om met een medische analogie te komen: dit lijkt meer op een poeptransplantatie dan op een weefseltransplantatie. Het gaat erom de nuttige bacteriën en schimmels van de ene bodem op de andere over te brengen.”

Het effect: na een paar jaar verschijnen er soorten die je volgens de natuurlijke opeenvolging van vegetatie pas na een paar decennia zou verwachten. Bezemer: „Je slaat het stadium met distels en andere pionierplanten over en gaat meteen naar de soorten waar je echt op zit te wachten.”

Beheerders passen bodemtransplantatie, zowel gewoon als light, al relatief vaak toe: op ruim twintig locaties in Nederland zijn nu projecten bezig waarbij grootschalig wordt ‘getuinierd’ met behulp van nieuwe bodems. Op nioo.knaw.nl/bodemtransplantatie brengen Bezemer en Wubs de lopende projecten in kaart. „Pas na een jaar of drie”, zegt Wubs, „zie je of die projecten ook echt aanslaan.” Voor de donorgebieden is zo’n ingreep niet nadelig. Wubs: „Deze heidegrond hier is afkomstig van de Doorwerthse Heide, een gebied dat regelmatig wordt afgeplagd als beheersmaatregel.”

Geen zaad maar schimmel

Dat juist micro-organismen zo belangrijk zijn voor het succes van de bodemtransplantatie, ontdekte Wubs tijdens zijn promotie. „Het principe van deze vorm van bodemtransplantatie was niet nieuw. Maar waarom het werkt, was nog niet wetenschappelijk onderzocht.”

In theorie zouden ook de plantenzaden in de donorbodem op zichzelf voldoende kunnen zijn. Natuurbeheerders verspreiden om die reden vaak al maaisel: daar zitten volop zaden in. Wubs: „Dat is op Reijerscamp ook gedaan op een paar proefvlakken, maar dat had weinig effect. Ook bij experimenten in de kas, waarbij ik de vegetatie van verschillende potten vergeleek, bleken de zaden niet doorslaggevend. In elke pot was de zadensamenstelling constant: dertig soorten, 16 milligram zaden per soort. Toch ontstonden in de potten heel verschillende soortensamenstellingen.” Aan de nutriëntenrijkdom in de bodem kon het ook niet liggen, want die was in alle potten laag – de heidegebieden en schrale graslanden waar Wubs zich tijdens zijn promotie op richtte hebben voedselarme bodems.

Dus waren de micro-organismen de logische doorslaggevende factor: de gemeenschappen van bacteriën en schimmels verschilden namelijk wél per pot, zowel qua soortenrijkdom als qua samenstelling. Op die manier kon bijvoorbeeld worden vastgesteld dat in gezonde heidebodems relatief veel schimmels en veel van bepaalde soorten bacteriën zitten.

Bijzondere soorten

We lopen naar een ander proefvlak: een transplantatie van schraalgraslandbodem, ook afkomstig uit een naburig natuurgebied. Net als bij de struikheide is hier van tevoren een fosfaatrijke toplaag van zo’n 50 centimeter verwijderd, zegt Bezemer: „Wil je dat een zwaar bemeste akker weer verandert in een natuurgebied met soorten die houden van voedselarme bodems, dan is zulk voorwerk wel nodig.” Het schrale grasland oogt minder indrukwekkend dan de heide, maar dat betekent niet dat de transplantatie niet geslaagd is. Wubs: „Er groeien hier bijzondere soorten, zoals dwergviltkruid.”

„Bodemgemeenschappen blijven decennialang na een transplantatie min of meer intact in hun nieuwe gebied”, vertelt Bezemer even later in de auto op weg naar Planken Wambuis, niet ver van de Reijerscamp. Dat is bekend, zegt hij, omdat het eerste bodemtransplantatie-light-experiment al ruim twintig jaar bezig is.

We stoppen bij een omheind veld met honderden vierkante en rechthoekige plots. Hier begon, met toestemming van Natuurmonumenten, in 1996 een experiment om de biodiversiteit te verhogen. Daarbij werd onder andere bodem van een ander gebied uitgestrooid op vlakken van twee bij twee meter.

Bezemer: „Sindsdien onderzoeken we jaarlijks de vegetatiesamenstelling en de bodemsamenstelling, en die lijkt dus na twintig jaar nog altijd op de bodem van het donorgebied. Toen Natuurmonumenten pakweg tien jaar geleden Reijerscamp in beheer kreeg, kregen we daar toestemming voor een grootschaliger experiment.”

Nu loopt op Planken Wambuis ook een nieuw experiment. Bezemer: „We hopen hier door het laten groeien van plantengemeenschappen ‘kweekbodems’ te creëren. Die kunnen dan gebruikt worden bij transplantaties in plaats van donorgrond uit natuurgebieden.”

Natuurbeschermingsapotheek

Wubs: „Wij hebben onderzocht hoe je het kúnt doen, maar zeggen daarmee niet dat je het ook altijd maar móét doen. Je kunt met een transplantatie nooit 100 procent dezelfde natuur terugbrengen. Te veel ingrijpen is niet wenselijk. Als natuur zo makkelijk te herscheppen lijkt, dan kan het voor beleidsmakers immers verleidelijk worden om te zeggen: we halen dat beschermde natuurreservaat hier weg, zodat we er een snelweg kunnen aanleggen, en transplanteren het verderop wel weer. Zo eenvoudig is het niet.”

Bezemer: „Wij hopen een soort apotheek voor natuurbescherming te creëren. Zodat beheerders kunnen zeggen: ons natuurreservaat heeft het moeilijk, doe ons maar een paar ons schraalgraslandbodem.”

Succes bij Vlijmens Ven: Guichelheil terug

In Natuurmonumenten-gebied Vlijmens Ven loopt een project om vochtig schraalland en blauwgrasland terug te krijgen. Beheerder Fons Mandigers: „Enkele jaren geleden was dit nog landbouwgrond. Nu zijn er soorten als grote ratelaar, guichelheil en moeraskartelblad. Het is boven verwachting snel gegaan.” Hier werd bodemtransplantatie toegepast met hele plaggen van 10 cm dik en maaisel van bestaande schraallanden.

De Vlinderstichting houdt de plaggen nauwlettend in de gaten. De hoop is dat zich hier gauw knoopmieren zullen vestigen, die ervoor kunnen zorgen dat het pimpernelblauwtje, een zeldzame dagvlindersoort, hierheen komt.