Lifestyle

Meeuw

Meeuwen. Het zou een werkwoord kunnen zijn. Ik meeuw, jij meeuwt, wij meeuwen. En om dan gemeeuwd te hebben, wat fantastisch zou dat zijn. Als ik kon meeuwen, daadwerkelijk kon meeuwen, dan begon ik mijn dag op het wad. Je moet als meeuw wel meteen een goede dagindeling maken, want je zit er tamelijk lang aan vast. Meeuwen zijn gewoontedieren. Zitten doorgaans op hetzelfde plekje, en weten van elkaar wie waar meestal plaatsneemt. Kan goed zijn dat er een foerageergebied om de hoek is. Een fijne plek om vis te vangen, of mosselen te pikken van eenden, die veel betere duikers zijn.

Maar als je als meeuw eenmaal een foerageerplek verderop bezoekt om je buik te vullen, wordt er toch eigenlijk wel van je verwacht, als meeuw, door meeuwen, dat je daar voortaan altijd heen gaat. Maar goed, ik begin mijn dag dus op het wad, en sluit me aan bij een fijn clubje vogels, om tot mijn enkels mee in het water te staan voor een meditatief moment. (Hebben meeuwen eigenlijk enkels?) Uitkijken over die eindeloze watervlakte, mijn kop zo ver mogelijk in mijn verendek laten zakken. Een brutale bal op pootjes.

Meeuwen hebben dus zo hun eigen routines. Sommigen vliegen eens een dagje naar Engeland om bij een kustplaatsje onder een specifieke lantarenpaal te gaan zitten wachten op friet. Ik sla Engeland zelf even over – ook omdat ik niet zeker weet of ik als meeuw meteen van mijn angst voor eindeloos water met heel lang niks af ben – en bezoek een kustplaats in de buurt. Als het zomer is grijp ik mijn kans om in een idyllisch haventje vol dagjesmensen bij de ijsboer het hoorntje uit de vlezige handjes van een peuter te grissen. Gewoon voor de kick.

Hij beantwoordt mijn brandende liefde nogal eens met een emmer geschaafd ijs

En om de mensen een ervaring te geven. Die van plotse terreur die geen kwaad kan. ‘Dat was die dag dat die meeuw met je ijsje wegvloog, weet je nog?’ zullen ze tien jaar later zeggen, als ze op een regenachtige zondag door een fotoboek bladeren. Daarna doe ik een dagje Amsterdam. Vliegend op maximaal honderd meter hoogte heb ik een mooi uitzicht over steden en weilanden. Ik sluit niet uit dat ik een tussenstop maak in een uit beton opgetrokken winkelcentrum. Niet gezellig, maar naast de winkel met benodigdheden voor het vervaardigen van vilten poppen staat de slecht afgesloten vuilcontainer van snackbar Grote Bertje, en dat is ook wat waard.

Eenmaal in Amsterdam geef ik een spectaculaire luchtshow. Dat er slechts zo hier en daar een oplettende menspersoon van geniet, deert mij niet. Kunst maak je uit noodzaak. Daarna rust ik uit op het dak van haringkar Stubbe. Ik wissel beleefdheden uit met een paar halfkale duiven die mij bekend zijn en het etablissement ook frequenteren. Veel mensen staan er niet bij stil dat een meeuw in Amsterdam soms ook maar een dagjesdier is.

Als het zaterdag is vraag ik aan Dikke Leo of de visboer, met zijn hemels geurende rubberen schort, op de Elandsgracht die dag goedgemutst is. Zo niet, dan neem ik evengoed een kijkje, maar het is goed om je voor te bereiden. Hij beantwoordt mijn brandende liefde nogal eens met een emmer geschaafd ijs.

Als mijn krop vol garnalen zit laat ik ze in mijn maag zakken op het dak van een woonboot voor café Papeneiland, en dan kijk ik mensen. Ook gewoontedieren. Er komt werkelijk van alles voorbij. Wanneer de zon schijnt drinkt men bier op het terras. Al vijftien jaar zit daar elke zaterdag een man in een bruin jasje de krant te lezen. Soms groeten we elkaar, als hij zijn krant even weglegt om in zijn ogen te wrijven. Tenminste, als ik meeuw zou zijn.