Maatschappij

Honderden avonden insecten tellen op het verlichte doek

Zaterdagavond. Een stel mannen zit in een veldwerkersschuur in natuurgebied De Kaaistoep, bij Tilburg. Ze kijken uit op een wit doek buiten, opgericht als een filmscherm. Paul van Wielink (71), legt zijn zakhorloge in de palm van zijn hand. „21 uur 13”, zegt hij. „Nog acht minuten en de zon gaat onder.”

De man naast hem, Henk Spijkers, heeft geen haast. Hij neemt nog een trekje van zijn sigaret. Het opbouwwerk laten ze over aan de derde man, de nieuweling die pas vier jaar meedoet: Guido Stooker. Die loopt in zijn beige afritsbroek naar het witte doek en zet de stekkers op stroom. Vier lampen, elk van 500 watt, verlichten het doek.

Het tellen van de insecten kan beginnen.

Paul van Wielink en Henk Spijkers kijken op een wit doek naar het insect dat ze hebben gevangen.

Foto Roos Pierson

Van Wielink, Spijkers (59) en Stooker (63) zijn de mannen die maandag verschenen conclusies over de forse afname van het aantal insecten in Nederland mogelijk hebben gemaakt. Sinds de jaren negentig spannen zij twee tot drie keer per maand het doek van drie bij twee meter in dit natuurgebied, en tellen ze een paar uur lang de insecten die op het felle licht afkomen. De nachtvlinders en kevers. De kokerjuffers en sluipwespen. De vliegen, mieren en muggen.

Foto Roos Pierson

Met hun gegevens zijn statistici aan het rekenen geslagen. De uitkomst is alarmerend. Bijna tweederde minder kevers dan twintig jaar geleden, ruim de helft minder nachtvlinders, ruim 60 procent minder kokerjuffers. „Een grote aanslag op de kringloop van het leven”, aldus Natuurmonumenten.

Licht als magneet

Achter het doek strekt zich een forse lap grasland uit. De Kaaistoep is van landbouwgrond en productiebos sinds midden jaren negentig weer natuurgebied geworden. Poelen zijn gegraven, elzen, meidoorn en sleedoorn geplant. Maatregelen die goed zijn voor insecten. Maar de mannen hebben desondanks de aantallen en soorten zien afnemen – daar hebben ze geen statisticus voor nodig.

Foto Roos Pierson

Paul van Wielink – grijze baard, ronde bril – staat bij het doek, dat zich vult met zwarte beestjes. Hij wijst er op een, nog geen halve centimeter groot. „Dat is een mestkogeltje. En daar rechts zit een kortschildkever. Van de grootste keverfamilie van Nederland.” Op een avond strijken soms honderden, en soms duizenden kevers neer op het polyester doek. Plakmiddel is niet nodig: het licht werkt als een magneet. Bij kleine aantallen telt Van Wielink de kevers stuk voor stuk, anders werkt hij steekproefsgewijs, door een kwart van het doek een paar keer avond te tellen. Voor vliegen doet hij hetzelfde. „De laatste keer hadden we er 3.500.”

Foto Roos Pierson

Rond zijn nek hangt een doorzichtige koker met een slangetje van onder en een rietje van boven. Hij zet het slangetje op een insect, neemt een teug aan het rietje, en zoef, daar glijdt een kortschildkever de koker in. Zo kan hij thuis de precieze soort achterhalen, met microscoop en genitaalpincet – want „aan de piemel kun je zien om welk keversoort het gaat”.

Lees ook: Aantal insecten in Nederlandse natuurgebieden gehalveerd