Buitenland

Er kwamen bussen vol met Bosniërs naar Rotterdam

‘Lever je wapens in, of we blazen de brug op.” In augustus 1991 strandt Hasan Huremovic, op vakantie in zijn thuisland, met zijn drie jonge zoons in het grensgebied tussen Bosnië en Kroatië. Hij staat met zijn auto op een brug achter drie bussen, waarvan Bosnisch-Servische militairen vermoeden dat er wapens in de laadruimte zitten. De militairen weigeren de bussen door te laten. Pas na zes uur wachten mogen ze verder. Eén van hen hanteert een megafoon en herhaalt keer op keer dezelfde boodschap: wapens inleveren, anders vliegt de brug de lucht in. Een andere soldaat staat nogal triggerhappy klaar met het ontstekingsmechanisme van een lading springstof. Het is bepaald geen loos dreigement, en Huremovic beseft dat maar al te goed.

Hasan Huremovic, moslim, woont en werkt op dat moment al twintig jaar in Rotterdam. In 1987 leert hij zijn vrouw Heleen de Jongh kennen bij het bedrijf waar hij als lasser werkt en zij als schoonmaker. Jaarlijks rijden ze in hun vakanties naar Hasans geboortedorp Bratunac. Nu ligt dat in de Servische Republiek. 25 jaar geleden was dat grensgebied tussen Bosnië en Servië het strijdtoneel waar de onafhankelijkheid van Bosnië-Herzegovina op het hakblok lag. „De sfeer was raar, gespannen”, herinnert Heleen zich. „Er vlogen continu straaljagers over, we zagen veel dronken Serven rondrijden in auto’s.” Na acht dagen breken ze hun vakantie af: te onveilig. Hasan brengt Heleen naar het vliegveld in Belgrado, zelf rijdt hij met zijn zoons, toen 11, 12 en 15 jaar oud, terug naar Nederland.

Diezelfde zonen zitten op die brug in de zomerse hitte op de achterbank van de auto. Naarmate de situatie met de Servische militairen vastdraait in een impasse, raken ze steeds verder in paniek. Na zes lange uren krijgen de Serven wat ze willen en geven de soldaten de brug vrij. “Daarna ben ik in één ruk door naar Nederland gereden.”

Terug in Rotterdam is de ontluikende burgeroorlog in Bosnië nog helemaal geen onderwerp van gesprek. Herfst en winter komen en gaan. Via zijn familie hoort Huremovic hoe de situatie verergert. „Rond Pasen 1992, eind april, had ik mijn moeder aan de telefoon”, zegt Hasan. „Op de achtergrond hoorde ik geweerschoten. Ik zei tegen haar: Als je nu niet vertrekt, kom ik je halen.” Hasans zus, schoonzus en moeder pakken hun koffers, verlaten huis en haard en gaan op weg naar de grens met Hongarije, waar Huremovic ze met de auto oppikt en naar Rotterdam brengt. Amper tien dagen later bevindt hij zich wederom op zijn geboortegrond, dit keer in Zagreb. Het is dan mei 1992, en tegen die tijd is het merendeel van de Bosnische moslims op de vlucht geslagen, verjaagd door çetniks, troepen van nationalist Slobodan Miloševicć en zijn Bosnisch-Servische handlanger Radovan Karadzic die uit zijn op een Groot-Servisch rijk.

‘We leven het goede leven’

Wat tot dan toe ondenkbaar was, wordt dat voorjaar realiteit: van het ene op het andere moment worden vrienden, buurmannen en collega’s elkaars aartsvijanden. De Kroaten en Bosnische moslims in Bosnië-Herzegovina kiezen, in navolging van Slovenië en Kroatië, op 29 februari en 1 maart in een referendum massaal voor onafhankelijkheid en wijzen daarmee aansluiting bij Miloševicć’ Groot-Servië af. De Bosnisch-Servische nationalisten, door Karadzic verenigd in de Servische Republiek Bosnië-Herzegovina, reageren agressief. Ze grijpen op verschillende plekken de macht en openen zo effectief de jacht op Bosnische moslims. „Daarna telde alleen religie en je achternaam nog”, zegt Hadziarapovic. „En dat gebeurde van het ene op het andere moment. Stond je het ene weekend nog met je buurman te barbecuen, het andere weekend stak diezelfde man je huis in brand en joeg hij je weg.”

Stond je het ene weekend nog met je buurman te barbecuen, het andere weekend stak diezelfde man je huis in brand

Enkele weken na het referendum is Hasan in Zagreb omdat hij ‘iets’ wil doen. Nadat hij zijn familie in Rotterdam had afgezet, keert hij per ommegaande terug naar zijn moederland. Er bereiken hem verhalen over de mannen van Bratunac, die zijn opgepakt, ontdaan van hun papieren, vastgezet in een school, gemarteld, en vervolgens te voet op mars gestuurd naar Tuzla om in een grimmige echo van de Arbeitseinsatz loopgraven te graven. „Vechten kan ik niet, maar mensen helpen kan ik wel”, beredeneert hij achteraf zijn aanpak. „En het is hetzelfde als met een muurtje schilderen: als je ergens aan begint, maak je dat af.”

Hasan slaat samen met zijn vriend Sefkija Hadziarapovic aan het regelen. Moslims slapen in Zagreb op straat. De meesten zijn halsoverkop gevlucht en zitten zonder papieren. Die moeten er dus komen, besluit Hasan, en hij betaalt een fotograaf om paspoortfoto’s te maken van honderden Bosniërs. De foto’s en de lijst met namen bewaart hij nog altijd in een verhuisdoos in zijn installatiebedrijf in Sliedrecht.

Hasan en Sefkija regelen twee touringcars en laten hun mensen instappen. Hasan stapt ook in. Sefkija blijft: hij weigert zijn geboortegrond te verlaten. De bussen rijden probleemloos naar Nederland. Er volgen artikelen in de plaatselijke kranten, maar overweldigend is de aandacht niet te noemen. „In die maanden was er hier nauwelijks aandacht voor de oorlog”, zegt Heleen.

Evacuatie van Bosnische burgers in 1993. AFP