Maatschappij

De wetenschappelijke één procent

Hoe ongelijk is de wetenschap? Als het een land was, zou het dan qua inkomensverdeling een Nederland of een Brazilië zijn? Een welvaartsparadijs of een bananenrepubliek?

Nu is een zekere ongelijkheid onvermijdelijk en noodzakelijk. Niet iedereen is immers even getalenteerd. Vooral met een blik terug in de tijd is duidelijk hoe groot de impact van uitzonderlijke individuen kan zijn. Charles Darwin, Marie Curie, Karl Marx – zij lieten de wetenschap een onverwachte afslag nemen. Niet dat we anders nooit de bestemming hadden bereikt, maar de vooruitgang had op z’n minst een grote omweg genomen. Kies uw favoriete metriek – citaten, bestsellers, prijzen, naamsbekendheid, patenten – en er blijkt een grote kloof tussen de top en de rest. Het is dus onverstandig om iedereen gelijk te belonen en dezelfde faciliteiten te bieden.

Enerzijds lijkt de ongelijkheid in de wetenschap te zijn afgenomen. De afgelopen eeuwen hebben wereldwijd een spectaculaire groei in opleidingsniveau laten zien. In 1800 was zo’n 90 procent van de wereld ongeletterd, nu is dat minder dan 15 procent. De laatste eeuw is het aantal studenten in Nederland verhonderdvoudigd. Wereldwijd heeft nu 7 procent van de bevolking een universitaire graad en in het jaar 2100 zullen drie van de negen miljard mensen hoger onderwijs hebben genoten.

Niet alleen talent, ook kennis verspreidt zich sneller en breder over de wereld, met name dankzij het internet. Ik weet nog goed hoe in de jaren tachtig de Amerikaanse preprints per scheepspost werden verstuurd. We moesten maanden wachten op het laatste nieuws. Nu kan de hele wereld instantaan de nieuwste artikelen op het web lezen.

Het internet maakt het ook gemakkelijker om talent te ontdekken. Vijf jaar geleden haalde een 15-jarige scholier uit Mongolië het nieuws toen hij een perfecte score op een online-cursus elektronica van MIT haalde. Hij werd direct gevraagd om aan die prestigieuze universiteit te gaan studeren. Hoeveel Darwins en Curies zijn er in het verleden niet verloren gegaan omdat ze door stom toeval in de verkeerde plaats of tijd werden geboren?

De wetenschap is ook meritocratischer geworden. Onderzoeksbeurzen worden objectiever toegewezen dan in het verleden. Vele universiteiten werven internationaal en volgens heldere criteria. Het is nog niet zo als bij symfonieorkesten, waar je achter een scherm proef speelt, maar de academische wereld is sneller plat geworden dan menig andere maatschappelijke sector.

Maar nu het slechte nieuws. De afgelopen tijd is er ook een duidelijke trend naar groeiende academische ongelijkheid te zien. Het principe van de duivel en de grote hoop, ook bekend als het Mattheus-effect, maakt de rijke onderzoekers en instellingen rijker en de arme armer. Omdat de subsidiemechanismen gericht zijn op kwantitatieve maten van kwaliteit, waaronder binnengehaalde subsidies, ontstaat er een zelfversterkend effect. Onlangs vonden Nederlandse sociologen dat de eerste NWO-beurs de kans op een tweede 2,5 keer groter maakt. Sociaal-darwinisme lijkt zich thuis te voelen in de academische wereld.

Hetzelfde zie je bij instellingen. Vooral hier in de Verenigde Staten is het verschil tussen de top en de rest groot en neemt snel toe. De private elite-universiteiten hebben enorme eigen vermogens die ze gebruiken om de beste docenten en onderzoekers aan te trekken. Zij helpen de studenten succesvol te worden, die zich op hun beurt weer verplicht voelen de universiteit financieel te steunen. Princeton University, met maar vijfduizend bachelor-studenten, heeft bijvoorbeeld een vermogen van rond de 25 miljard dollar, ongeveer 5 miljoen per student. Dat geeft een eigen inkomstenbron van zo’n miljard dollar per jaar, los van collegegelden, giften en onderzoeksubsidies.

Daarentegen worden de grote Amerikaanse staatsuniversiteiten, die soms nog maar 10 procent van hun begroting van de staat krijgen, snel uitgehold. Omdat zij veel meer studenten bedienen, vergelijkbaar met Nederlandse aantallen, spelen zij juist een cruciale rol als sociale motor in de samenleving. Dat die motor hapert heeft enorme politieke gevolgen die nu duidelijk zichtbaar zijn.

Tussen landen groeit de ongelijkheid eveneens. Er is een wereldwijde race in talent. Wie gaat de technologie van de toekomst beheersen, van kunstmatige intelligentie tot biotechnologie? De enige serieuze deelnemers aan deze race zijn de Verenigde Staten, China en Europa. Wat betekent dat voor de rest van de wereld? Worden zij allemaal verliezers?

Ook in de wetenschap voedt meritocratie de ongelijkheid. De groeiende macht van de één procent brengt mij tot een van mijn favoriete museumstukken: de top van de Mont Blanc, meegenomen tijdens de eerste bestijging in 1787. De eenvoudige steen ligt midden in de Hollandse polder in Teylers Museum te Haarlem. Het laat perfect zien hoe denken over excellentie kan leiden tot een eenzaam rotsblokje in een vitrinekast in plaats van een glorieus Alpenmassief. Toponderzoekers en elite-instituten geven de wereld buitengewoon veel, maar zij kunnen niet zelfstandig bestaan. Ze functioneren alleen bij de gratie van alle andere wetenschappers en instellingen, die studenten opleiden, onderzoekers aannemen en kennis ontwikkelen en toepassen. Dat mogen we nooit vergeten. Ook in de wetenschap geldt: de top kan niet los van de rest van de berg bestaan.

Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.